|
De stoere statige haan.
Hoe de haan een huisdier is geworden, is een bijzonder verhaal. Een verhaal
over liefde, maar ook over list en bedrog. Luister!
In lang vervlogen dagen bestond er geen onderscheid tussen mensen en dieren en ze leefden in vrede samen. Op een dag was er een heel groot feest. Van heinde en verre kwamen ze bij elkaar. Omdat het zo 'n grote groep was, werd de haan gekozen als ceremoniemeester. Met zijn brede borst, priemende ogen en knalrode kuif straalde hij niet alleen gezag uit, met zijn luide stemgeluid overstemde hij het gekraai, gekras en gekrakeel. Het feest duurde tot in de kleine uurtjes. Om de duisternis te verlichten brandde er een groot vuur. Vuur was in die dagen een kostbaar bezit. Was het gedoofd, dan had je niet zo maar nieuw vuur. De dieren en mensen dompelden zich zo in de feestvreugde, dat ze het vuur vergaten. De volgende morgen was het gedoofd. Grote verontwaardiging en ontzetting. De haan ging op een grote steen staan en riep met zijn luide stem, die schor was van het feest, dat hij nieuw vuur zou zoeken en hij vloog weg. Hij vloog over bergen en dalen, over zeeën en moerassen, tot hij eindelijk een sliertje rook zag opstijgen. Een vuurtje brandde in de keuken van een lemen huisje. Een jonge vrouw, Gallus genaamd, was verrast toen de haan stoer binnen stapte. Nog nooit had ze zo’n mooie vogel gezien. Samen aten zij een maaltijd. Gallus bood hem een slaapplaats aan. Ze was onder de indruk van de charmante, mooie vogelman die zo wijs vertelde over de wereld. Die nacht droomde ze over haar droomvogel. De haan echter was niet onder de indruk, hij had genoeg vrouwen thuis. Toen Gallus sliep, vloog hij met een takje vuur in zijn snavel terug. Bij zijn terugkeer werd hij juichend als een held ontvangen. Gallus was ontdaan toen de volgende morgen haar mooie vogelman was gevlogen.
De volgende dag vertelde ze haar ouders over de onbekende droomvogel die vuur kwam halen. Maar ze wist niet wie hij was of waar hij woonde. Ze besloten de bijzondere vogel te gaan zoeken, want ze waren blij dat hun kritische dochter eindelijk voor een man viel.
“Hij moet wel een zeevogel zijn. Hij heeft zo'n harde stem om over het gebulder van de golven te kunnen schreeuwen.” zei de vader en met een boot voeren ze naar de zee. “Is dit hem? vroeg hij, wijzend naar de mantelmeeuw. “Hij is stoer en sterk en krijst hard.” Maar de mantelmeeuw was hem niet. “Hij heeft sterke voeten een sterke tenen, het zal een moerasvogel zijn,” zei de moeder. Ze togen naar de plassen en moerassen. Daar hoorden ze de rauwe kreten van de blauwe reiger die statig met zijn imposante brede vleugels boven hen vloog. "Nee, moeder, hij is mooi en statig, maar niet de vogel van mijn dromen," sprak de dochter. Het bootje meerde aan langs een graanveld, waar vele vogels graan pikten. "Dat moet hem zijn, de fazant", zei de moeder stralend. Ze zag een prachtige, bijna koninklijke vogel, glanzend bruin, met een witte ring om de hals, een prachtig rode gezichtsversiering, een lange sierlijke staart, stevige poten met lange tenen en een luide rauwe roep. De dochter zuchtte: "hij is misschien wel een mooiere vogel dan de man van mijn dromen, maar hij is hem niet." Moedeloos staarden ze voor zich uit, de zoektocht was ten einde.
|

Plotseling
hoorde Gallus zijn schorre, alles overheersende stem. Ze rende de boot
uit en riep: “Ik heb je gezocht en eindelijk gevonden, ken je me nog?"
Op haar uitnodiging haar ouders te ontmoeten op de boot, keek de haan
haar van opzij aan en wandelde statig verder, alsof ze niet bestond. Er
was zwaarder geschut nodig om hem te verleiden. De vader lokte hem met
zakken maïs naar de boot. Dat lukte. Zodra hij de zakken inspecteerde, wierpen ze
een net over hem heen en voeren met hem naar hun huis. Onderweg knipten
ze zijn vleugelveren kort, zodat hij niet meer terug kon vliegen. Bij
het huis werd hij zo verwend, dat hij ten slotte ook niet meer terug
wilde. Zijn vleugelveren groeiden weer aan in de loop van de tijd, maar
hij was het vliegen verleerd en hij kon nog slecht een kort stukjes,
dichtbij de grond vliegen. Zijn trotse tred, zijn brede borst, zijn
fiere rode kam op de kop en zijn harde schorre stem behield hij. Mijnheer de Haan is altijd bij Gallus gebleven. Lang leefden ze samen, gelukkig.
De
haan is een manlijke kip, de vrouwen worden hennen genoemd. De kippen
behoren tot de fazantenfamilie. In een kippengroep is een duidelijke
hiërarchie onder de hennen. De dominante hennen krijgen het eerst en het
beste eten en de beste slaapplaatsen. De kuikens zijn zgn nestvlieders,
zodra ze uit het ei komen kunnen ze al lopen en scharrelen hun eigen
eten bij elkaar. Ze zitten in het begin vaak bij de kloek in de veren
voor de warmte. Kippen zijn ‘prooidieren’, ze worden
niet alleen door andere dieren gegeten, de mens is de grootste
kippeneter. Hierdoor
leven miljoenen kippen in de hele wereld in zeer ellendige
omstandigheden hun
korte leven. De vrouwelijke kippen, de hennen leven in de bio-industrie
voor de
eieren en het goedkope kippenvlees. Weinig jonge mannetjes worden
volwassen. Jonge
haantjes worden als eendagskuikens gedood, omdat ze economisch weinig
opbrengen.
|