Lang, heel lang geleden waren er meer witte vogels dan nu. Door dommigheden zijn ze zwart geworden. Zo was de raaf vroeger een prachtige witte vogel die mooi kon zingen (zie sprookje nr.18).
Ook de merel was in vervlogen tijden een mooie witte vogel die een van de mooiste liedjes uit de vogelwereld zong. Die gouden klanken zijn gebleven, maar de witte kleur is verdwenen. Hoe dat zo gekomen is? Hebzucht! Luister naar deze Keltische legende:
Het was een stralende koude winterdag toen de merelman zag dat de ekster zijn bek vol glinsterende sieraden had. De merel keek begerig naar de fonkelende stenen en vroeg de ekster waar hij die had gevonden. De ekster nam de merel apart en fluisterde: “In het noorden ligt een diepe grot waar de prins zijn goud, zilver en sieraden bewaart. De prins is een goed mens en als je het hem vraagt, dan mag je een bek vol goud en zilver meenemen. Maar de grot wordt bewaakt door een gevaarlijke draak. Pas op, je mag alleen spullen meenemen uit de gang die de prins je aanwijst.”
De merel vertelde het nieuws enthousiast aan zijn vrouw, maar die vond het een beetje gevaarlijk met zo'n draak, en bovendien, zilver en goud kan je niet eten. Toch vlogen ze samen naar de grot en stapten voorzichtig naar binnen. Overal lagen bergen edelstenen en goud en zilver te glinsteren. En voordat de merel achter in de grot de prins bereikt had, overwon zijn hebzucht het van zijn voorzichtigheid. De merel begon in het goud te pikken. Zijn vrouw riep nog